Klappen die je niet ziet aankomen: onderzoek naar misbruik in doven- en blindeninternaten

Klappen die je niet ziet aankomen: onderzoek naar misbruik in doven- en blindeninternaten

Dove en blinde kinderen leefden in internaten, afgeschermd van hun familie. Ze waren extra kwetsbaar. De Zwolse lector Dorien Graas onderzoekt - met anderen - of en hoe vaak er sprake was van mishandeling en misbruik.Geweld, intimidatie of misbruik in een jeugdinstelling is altijd ernstig. Maar wat als je klappen letterlijk niet ziet aankomen, of niet kon zien of horen wie erbij waren toen jou iets overkwam dat niet door de beugel kon? De Zwolse lector jeugd dr. Dorien Graas (55) doet onderzoek naar geweld en misbruik in doven- en blindeninternaten vanaf 1945. Dit als onderdeel van het grote landelijke onderzoek naar geweld in de jeugdzorg onder leiding van professor Micha de Winter.


Hoe is de Commissie Geweld Jeugdzorg bij u gekomen?

"Ik ben gevraagd omdat ik een aantal jaren geleden ben gepromoveerd op de geschiedenis van het speciaal onderwijs, waaronder ook onderwijs aan dove en blinde kinderen. Ik was dus bekend met de sector al ging mijn onderzoek niet over geweld.''

In welke fase is het onderzoek nu?

"Met twee andere onderzoekers heb ik eerst een vooronderzoek verricht. Het hoofdonderzoek dat nu begonnen is doen we met ongeveer acht personen. Je hebt mensen nodig die thuis zijn in archiefonderzoek, mensen die goed bekend zijn in de doven- en blindengemeenschap en onderzoekers die de onderzoeksvragen kunnen vatten in interviewvormen en vragenlijsten. Bovenal heb je mensen nodig die weten om te gaan met dit lastige en gevoelige thema.''

Wat is er zo specifiek aan deze doelgroep?

"Dove en blinde kinderen zijn extra kwetsbaar. De constatering van de commissie tot nu toe is geweest: hoe kwetsbaarder de leerling, hoe groter de kans op geweld lijkt. Dat speelt ook hierin een grote rol. Deze kinderen zien klappen niet aankomen, of ze horen ze niet. En in doven- en blindeninstellingen wordt anders gecommuniceerd. In de periode waarover het onderzoek gaat waren kinderen gewend om veelvuldig zonder waarschuwing of toestemming aangeraakt te worden. Het was dan ook moeilijker om grenzen aan te geven.''

Hoe gaat u te werk?

"Het is een heel breed onderzoek waarin we ook de stem van de dove en blinde oud-pupillen willen horen. Daarnaast bekijken we de archieven van de bestaande instellingen en de voorlopers daarvan. We willen spreken met bewoners en medewerkers om een beeld te krijgen van hoe het dagelijks leven toen was in die instellingen. Hoe ging het er aan toe, wat was de pedagogische visie? Vervolgens doen we verdiepende interviews en vragen we ze om vragenlijsten in te vullen.''

Uiteindelijk wilt u weten of er sprake is geweest van geweld in doven- en blindeninstituten. In uw vooronderzoek constateerde u al dat daar aanwijzingen voor zijn. Ook stelt u vast dat de geïsoleerde positie van pupillen in de tijd dat kinderen nog volledig intern woonden het moeilijk maakte misstanden aan te kaarten. Hoe komt u alsnog in contact met oud-bewoners die hier meer over kunnen vertellen?

"Bij de landelijke commissie hebben zich inmiddels al zeshonderd mensen gemeld, ook vanuit doven- en blindeninstituten. Verder hebben we via allerlei kanalen oproepen gedaan aan mensen om zich te melden. Ook via instellingen, cliëntenraden, Facebook. Oproepen zijn ook in gebarentaal verspreid om zo veel mogelijk mensen te kunnen bereiken. Ook publicaties over het werk van de commissie in de media helpen daarbij.''

In uw werk als lector jeugd bij hogeschool Windesheim in Zwolle onderzoekt u thema's rond jeugd en opvoeding. Dit is ongetwijfeld een van de zwaarste onderwerpen. Hoe is dat voor u persoonlijk?

"Vanaf het moment dat de commissie startte wilde ik er graag in meedoen. Het is zó belangrijk dat dit onderzocht wordt. Het is een gevoelig en lastig onderzoek maar ik ben ervan overtuigd dat het heel erg nodig is om dit te doen.''

Bron: Artikel De Stentor 23 november 2017, door FRANCISCA MULLER.