Onderzoek geweld jeugdzorg mogelijk

De Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg gaat wetenschappelijk onderzoek doen naar geweld in de jeugdzorg sinds 1945. Dit onderzoek komt voort uit het vooronderzoek dat het laatste jaar gehouden is.

Het onderzoek richt zich op kennisverwerving over zowel actueel geweld als geweld vanaf 1945. Daarnaast ziet de commissie als belangrijke opbrengst van het vervolgonderzoek dat maatschappelijke erkenning wordt geboden voor wat slachtoffers is overkomen.

Prof. dr. Micha de Winter, hoogleraar maatschappelijke opvoedingsvraagstukken aan de Universiteit Utrecht, leidt het onderzoek. Hij zal worden bijgestaan door een multidisciplinaire commissie van wetenschappers.

Op 17 mei 2016 presenteerde de Winter de uitkomsten van dit vooronderzoek aan minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) en staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). De commissie concludeert in haar rapport dat het zinvol en haalbaar is om een vervolgonderzoek te starten. Het kabinet bevestigt deze conclusie.

In het kader van het vooronderzoek is de afgelopen maanden een aantal deelstudies uitgevoerd. Dit geeft een antwoord op de vraag in hoeverre minderjarigen die sinds 1945 onder verantwoordelijkheid van de overheid in rijksinstellingen en pleeggezinnen hebben verbleven, met fysiek en psychisch geweld zijn geconfronteerd.

Micha de Winter over het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg

Prof. dr. Micha de Winter, voorzitter van de Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg, over het onderzoek.

  • Download deze video

  • Uitgeschreven tekst

    MICHA DE WINTER: Het kabinet heeft mij vorig jaar gevraagd om een vooronderzoek te doen naar mogelijk geweld dat zou zijn gepleegd vanaf na de oorlog tot heden tegen minderjarige kinderen en jongeren die in de jeugdzorg of in pleeggezinnen zijn geplaatst.
    En dat vooronderzoek zou een antwoord moeten geven op de vraag of het eigenlijk wel mogelijk is om over zo'n lange periode daar betrouwbare uitspraken over te doen.
    Dat vooronderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat je zulk soort onderzoek kan doen.
    Je kan heel veel inzicht krijgen. Er zijn heel veel archieven.
    Er zijn ook in die archieven allerlei sporen aangetroffen die kunnen wijzen op gewelddadige bejegening van een jeugdige.
    Dus je kunt zulk soort onderzoek doen.
    Inmiddels hebben zich in die periode ook meer dan tweehonderd mensen gemeld bij die commissie, ondanks dat er geen meldpunt was.
    En die verhalen van die mensen wijzen ook wel op uitwassen die er zijn geweest.
    En dat gaat van lichamelijke mishandeling tot geestelijke mishandeling, vernedering et cetera.
    Wij denken als commissie dat het heel belangrijk is om hier echt vervolgonderzoek over te gaan doen, dus goed in kaart te brengen wat er precies is gebeurd, archieven uit te spitten.
    Dat vervolgonderzoek is nodig eigenlijk om twee belangrijke redenen.
    Ten eerste is het belangrijk om goed te kijken naar wat er in het verleden is gebeurd.
    Als er zwarte bladzijden in de geschiedenis van onze jeugdzorg zijn geweest dan is het heel belangrijk om daar goed inzicht in te krijgen.
    Dat is ook heel belangrijk om een soort maatschappelijke erkenning te bieden aan mensen die daarin als kind of als jeugdige het slachtoffer zijn geweest.
    Tweede belangrijke reden is dat je natuurlijk ook goed in kaart wil brengen wat er in het heden gebeurt.
    Want ook in de huidige jeugdzorg kunnen dingen misgaan.
    Het is vaak hele ingewikkelde problematiek, het is moeilijk werk, het is mensenwerk dus we willen ook in zo'n onderzoek goed te weten komen van: hoe zich dat in het heden ontwikkelt. Met natuurlijk als doel om te zorgen dat de veiligheid van kinderen in jeugd- en pleegzorg voor de toekomst gewaarborgd is.
    Ten slotte nog een opmerking over de reikwijdte van het onderzoek dat er moet komen.
    De commissie heeft zich in het vooronderzoek beperkt tot kinderen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in rijksinstellingen en pleeggezinnen, vanaf 1945.
    In de tussentijd hebben ons nogal wat signalen bereikt van mensen die als kind ook in instellingen hebben gezeten waar ze niet rechtstreeks onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst maar waar de overheid wel verantwoordelijk was voor de kwaliteit.
    Bijvoorbeeld de kinderpsychiatrie, doven- en blindeninstituten et cetera.
    Er zijn nogal wat mensen die over dat soort instellingen zeggen: Daar zouden jullie ook eens naar moeten kijken, want ook daar heeft mogelijk geweld plaatsgevonden.
    De commissie vindt dat er inhoudelijk veel redenen zijn om ook daarnaar te kijken maar uiteindelijk is dat een beslissing van de politiek om daar uitspraken over te doen.